Adviezen voor ouders

Pagina-inhoud:

I Adviezen voor de verbetering van de spraak/taalontwikkeling van uw kind

II Taalachterstand

III Voorlezen

IV Stemverbetering

V Duim- of vingerzuigen

VI Heesheid bij schoolkinderen

VII Mondademen

VIII Auditieve vaardigheden

IX Meertaligheid

X Opvoeden doe je zo!

I Adviezen voor de verbetering van spraak/taalontwikkeling van uw kind

Het is belangrijk te weten dat de belangrijkste fase voor de spraak- en taalontwikkeling van uw kind ligt tussen de 0 en 6 jaar. In die periode is uw kind het meest taalgevoelig en kan hij/zij op dit gebied ook het beste leren.

Uw kind gaat niet vanzelf praten
Uw kind zal gaan praten, omdat er van de geboorte af in zijn/haar nabijheid wordt gepraat en omdat er van de geboorte af tegen hem/haar wordt gesproken. Het eerste huilen en de eerste keuvelgeluidjes van uw kind komen vanzelf. Daarna worden de reacties vanuit de omgeving erg belangrijk voor de verdere ontwikkeling van het spreken. Het kind gaat steeds meer geluidjes en daarna woorden produceren, omdat o.a. de moeder/vader tegen hem lacht of terugpraat als het brabbelt of woordjes gebruikt. Uw kind gaat steeds meer de geluiden, die van buitenaf op die manier tot hem komen, nadoen. Vanuit dit nadoen (imitatie) ontwikkelt zich dan tenslotte het praten.
Bij sommige kinderen komt het praten wat moeilijk
op gang. Dit kan vele oorzaken hebben:

  • Het kan zijn dat uw kind taalzwak is, d.w.z. een kind dat extra aandacht nodig heeft om goed te leren praten.
  • Het kan zijn dat er te weinig tegen uw kind wordt gesproken op de juiste manier (hierover later). Wanneer het goede voorbeeld ontbreekt, kan het kind ook niet op de goede manier (mee)praten.
  • Het kan zijn dat uw kind vaak verkouden is geweest en/of oorontstekingen heeft gehad, en daardoor taalaanbod heeft gemist.

Dit zijn slechts enkele oorzaken voor het nog niet goed kunnen spreken van uw kind. Wij willen u graag enkele adviezen geven, waarmee u uw kind helpt om beter te leren praten.

A Vraagt u zich af in hoeverre uw kind al begrijpt wat u zegt? Leeft u zich in de situatie en het niveau van uw kind in. Probeer daarbij aan te sluiten door een groot aanbod van eenvoudige taal. U kunt het beste met de volgende punten rekening houden:

  1. Maak korte en eenvoudige zinnen.

Fout:
“Loop je even naar boven en ga je dan naar de slaapkamer en pak dan van het onderste plankje in het kastje rechts van de wastafel een zakdoek voor mama?”

U zou dan beter kunnen zeggen:
“Zou jij voor mama een zakdoek willen halen? De zakdoek ligt in het kastje in de slaapkamer. Het kastje rechts van de wastafel. Kijk maar eens onderin.”

  1. Spreek niet te snel.
  2. Praat alleen over dingen die in de buurt van uw kind zijn of waar uw kind mee bezig is.

Praat niet over vissen als er helemaal geen vis in de buurt is. Vraag hem niet zijn jas uit te doen als zijn aandacht juist volledig in beslag wordt genomen door een voorbijrijdende vrachtauto.

  1. Praat over de dingen waarmee u bezig bent en begeleidt alles wat u doet met gesproken taal.

Voorbeeld:
Wanneer u de tafel dekt: “Kijk, hier is een lepel voor papa; hier is een lepel voor mama, een lepel voor jou, mes, vork, bord, kop, glas.”

Als u enkele dagen steeds deze zinnen herhaalt en uw kind wil u helpen met tafeldekken, laat hem dan helpen en zeg: “Leg een lepel voor papa neer.” enz.

Voorbeeld: Praat met uw kind wanneer het in bad gaat: “Hier is je washand, hier is de zeep, nu was ik je voet, nu was ik je andere voet, je hebt twee voeten, 1,2, nu was ik je buik, nek, rug.” enz.

Benoem zijn verschillende kledingstukken, de voorwerpen in iedere kamer, het eten bij iedere maaltijd, enz.

  1. Ga veel met uw kind beleven.

Voorbeeld:
Wijs uw kind niet alleen veel aan in huis, maar ook buitenshuis. Praat er met hem over wat u samen ziet als u in de bus zit of als u op straat wandelt, over wat u beiden ziet in de winkel als u boodschappen gaat doen. Praat vooral over dingen waarvoor hij/zij belangstelling heeft. Ga met uw kind naar het station en naar de dierentuin/boerderij en praat er met hem over. Uw kind leert dan om wat het gezien heeft onder woorden te brengen en kan zijn ervaringen weer opnieuw vertellen.

B Verwacht niet van uw kind dat het meteen praat als een volwassene. Gaat u na in hoeverre het kind zelf al wat kan vertellen. U kunt uw kind hierbij helpen door de volgende suggesties in acht te nemen:

  1. Verwacht geen perfecte spraak, maar wel pogingen om te praten.

Wat die pogingen zijn: een klankje, een woord, een zin, hangt af van hoe goed uw kind al kan praten.

Voorbeeld:
Uw kind wil iets hebben, thee of melk en het wijst er naar, of u denkt dat het thee of melk wil hebben. Handel als volgt: Houdt zijn thee zo dat uw kind het kan zien en geef hem zijn thee pas als hij iets heeft gezegd. U mag hem hierbij helpen door voor te zeggen wat u hem wilt laten zeggen. Of u tevreden bent met wat uw kind zegt, hangt weer af van wat u van hem verwachten kan. Laat duidelijk merken, dat u blij bent met een goede poging.

  1. a. Uw kind zegt nog geen woorden, wees dan tevreden met een poging tot praten, ook al lijkt dat geluid niet op de klanken van het gevraagde woord. U zegt bv. “Thee?” en uw kind zou kunnen zeggen: “Ah.”
  2. b. Uw kind zegt al een paar korte woorden, maar praat nog niet in zinnen. Prijs hem dan al bij een poging het gewenste woord te zeggen, ook al komt één klank van het door uw kind gezegde woord met het gevraagde woord overeen: bv. ee voor thee of mie voor melk.
  3. c. Uw kind zegt al zinnen, verlang dan van hem een poging tot korte zinsvorming, waarbij u niet let op de goede uitspraak van de woorden, bv. “Wil je thee hebben?” Uw kind zou dan kunnen zeggen: “thee eppen”, waarbij het nog met zijn hoofd kan knikken.
  1. Uw kind gebruikt meestal korte zinnen wanneer het praat, maar laat kleine woordjes weg als: van, dan, een, enigen, enz. Prijs uw kind dan pas als er een goede zin komt met woorden in de juiste volgorde.

Neem als ouder niet te vlug genoegen met gebaren.
Dit zou uw kind kunnen remmen in zijn pogingen te praten. Kinderen leren praten omdat ze merken dat ze door de spreektaal te gebruiken iets gedaan kunnen krijgen, waarop u reageert. Begrijpt u uw kind te snel dan leert uw kind niet om woorden te gebruiken, want u begrijpt uw kind zo al.

  1. Neem de tijd om naar uw kind te luisteren.

Luister naar uw kind als het met u praten wil. Luister echt en stel vragen over wat hij vertelt, zoals u in ieder gesprek doet.

  1. Dwing uw kind niet om te praten als het niet wil.
  2. Dwing uw kind niet u te vertellen over school of over wat hij heeft meegemaakt. Maar vraag het eens in de vorm van: “Ik denk dat jij vandaag met de blokken hebt gespeeld?” Uw kind heeft dan de gelegenheid een heel verhaal te vertellen, maar het kan ook kiezen, alleen met ja of nee antwoorden of slechts knikken.
  3. Vraag uw kind niet u na te zeggen.

Voorbeeld:
Zegt uw kind nog toel i.p.v. stoel, zeg dan niet dat toel fout is maar praat over die stoel. Maak allerlei zinnetjes met het woord stoel erin. Laat uw kind op die manier de goede uitspraak van het woord dikwijls horen. Het is het beste wanneer u dit doet bij een plaatje met een stoel erop of als u juist de stoel aanschuift bij de tafel. Uw kind zal dan meestal op een bepaald moment de goede uitspraak van het woord stoel overnemen.

Let er op dat praten of pogingen om te praten altijd prettig moeten zijn; belonen heeft een betere uitwerking dan straffen. Kritiek of verbeteren is eigenlijk al een soort straffen.

  1. Plaag uw kind niet met zijn woorden/praten.

Lach uw kind niet uit om de woorden die het nog niet goed zegt of om zinnen die het nog niet goed uitspreekt.

  1. Spreek niet in kindertaal.

Voorbeeld:
Uw kind zal misschien op een gegeven moment zeggen: “Ikke ga boemeties pukken”, in plaats dat u dan spreekt over boemeties pukken kunt u beter zeggen: “O ja, ga jij bloemen plukken”, waarbij u het kind dus niet dwingt tot het beter uitspreken van zijn zin, maar hem toch laar horen hoe het wel moet. Het goede voorbeeld is belangrijk!

  1. Lees uw kind iedere dag voor.

Lees uw kind een verhaal, liedje, rijmpje voor, ls uw kind dit leuk vindt. Ga met uw kind plaatjes kijken en uitknippen.

Vertel een week lang iedere dag hetzelfde verhaal. Wacht af en toe midden in een zin en kijk of uw kind u aanvult. Begint het niet te praten dan gaat u rustig door. Gebruik eens een ander woord en kijk of uw kind opmerkt dat het woord niet juist is.

De mogelijkheid bestaat dan dat uw kind op een gegeven ogenblik veel van het verhaal zelf zal vertellen.

Belangrijk: Neem uw kind niet teveel uit handen. Probeer hem zelfstandig te laten zijn, hem alles zelf te laten proberen.

II TAALACHTERSTAND

Een kind gaat praten omdat er vanaf zijn geboorte in zijn omgeving wordt gepraat. Het leren uitspreken van woorden en het leren maken van zinnen met deze woorden gebeurt geleidelijk. Sommige kinderen hebben hier meer moeite mee dan anderen, zodat een taalachterstand kan ontstaan. Wij willen u enkele wenken geven waarmee u uw kind kunt helpen beter te leren praten.

Uw eigen manier van spreken is van groot belang.

–   Maak korte eenvoudige zinnen.

–    Spreek niet te snel.

–   Praat over dingen waarmee u en uw kind bezig zijn. b.v. Als u de tafel dekt: Wij leggen de vork naast het bord, enz.

–  Ga eens met uw kind ergens heen en praat er dan later samen over.

–  Plaag het kind niet met zijn krompraten.

–  Neem rustig de tijd om naar uw kind te luisteren.

– Laat uw kind niet steeds alles goed nazeggen, maar wees zelf het goede voorbeeld.

– Doe samen of met het hele gezin spelletjes waarbij veel gepraat wordt, bv. memory, lotto, raadspelletjes, enz.

–         Lees met uw kind iedere dag boekjes of kijk met hem/haar plaatjes. Neem hiervoor een vaste tijd bv. voor het slapen gaan.

–   Lees eens verhaaltjes/versjes voor en zing kinderliedjes (bv Liedjes uit de oude doos). Zeer geschikt zijn o.a. versjes van A.M. Schmidt, Jip en Janneke, Pinkeltje, Oki en Doki, Wipneus en Pim, verhalenboeken en sprookjesboeken. Laat uw kind tijdens het lezen ook aan het woord als het dit wil.

III VOORLEZEN

Een activiteit, die voor de spraak- en taalontwikkeling van ieder kind van groot belang is, zal hier wat uitvoeriger aan de orde komen.

HET BOEK: stelt u zich bij het kiezen van een voorleesboek de volgend vragen:

  1. is het verhaal duidelijk ritmisch?
  2. zijn de plaatjes niet te ingewikkeld of te druk?
  3. ligt het onderwerp van het verhaal in de belangstellingssfeer van het kind? Met andere woorden: is het kind voldoende vertrouwd met het onderwerp van het boek?

In de bibliotheek zijn dergelijke boekjes zeker te vinden. Min of meer bekende zijn bijvoorbeeld die van Dick Bruna en van de Gouden Reeks.

Het voorlezen kunnen we in drie delen splitsen. Dit zijn:

  1. Het gedeelte, waarin door het kind alleen nog wordt gekeken en geluisterd. We noemen dit ook wel het kijk- en luisterstadium.

Het verhaal wordt nog niet meteen voorgelezen. U gaat naar aanleiding van de platen het verhaal eerst in het kort vertellen, zodat het kind al enigszins een indruk van het boek krijgt.

Dan pas gaat u echt voorlezen. Het luisteraartje mag steeds de bladzijde omslaan. Na een poos zult u merken, dat het kind niet alleen meer luistert, maar ook aan gaat vullen. We zijn dan bij het tweede gedeelte en wel in het aanvulstadium beland.

  1. U kunt dit “aanvullen” in de hand werken door af en toe aan het einde van de zin te stoppen om te horen of het kind uit zichzelf de zin afmaakt. U kunt eventueel datgene wat het kind zegt uitbreiden of aanvullen. (Het is niet de bedoeling datgene wat het kind zegt te verbeteren). Ook kunt u eens proberen zo nu en dan een ander woord of zinnetje te gebruiken om te zien of het kind in de gaten heeft dat u iets anders “leest”. Het is de bedoeling dat het aanvullen vanzelf komt. Als uw kind niet praat, vul dan zelf onopvallend aan en vraag niets.

Het volgende stadium is dat van het meepraten. (Een enkele keer komt meepraten eerder dan aanvullen) Als u hetzelfde verhaaltje een aantal keren voorgelezen heeft, zal het kind misschien mee gaan praten of “dreunen”. Waarschijnlijk zegt het kind niet precies de tekst van het boek en zal het de woorden niet correct uitspreken, maar wel zult u merken, dat het kind de zinsmelodie goed nabootst.

  1. Nog enkele WENKEN:

-Neem niet te snel een ander boek. Het verveelt uw kind echt niet, als u hetzelfde verhaal een week lang iedere dag eenmaal voorleest.

– Lees op een duidelijke rustige en levendige manier. Het voorlezen mag best een beetje “toneelachtig” zijn. Tijdens het voorlezen kunnen zinvolle gebaren en bewegingen worden gemaakt. Gebeurtenissen uit het verhaal kunt u samen in handelingen omzetten.

– Luistertijd: misschien duurt het te lang als u meteen het hele boekje voorleest. Probeer dan elke dag een stukje meer te lezen en zo de luistertijd te verlengen. U kunt het luisteren belonen door na afloop het kind iets te laten doen wat het leuk vindt, bijv. tekenen.

– De voorwerpen op de platen in de prenten- en voorleesboeken zullen veelal ook bij uzelf in huis aanwezig zijn. Maak dan van de gelegenheid gebruik om de voorwerpen in werkelijkheid te betasten, benoemen en te gebruiken. Taalbegrippen ontstaan namelijk door waarnemen en handelen.

VOORLEESTIPS PEUTERS

Voor een goed overzicht raadpleeg:

Peuterboekengids 2005, 0-4 jaar
isbn 90 77106 18 9

Om de taal van uw kind te stimuleren zijn er b.v. de voorleesboeken uit de Bas-serie:

Zeven  prentenboeken met Bas in de hoofdrol: De slab van Bas voor de allerkleinsten, Bas helpt mama (2-jarigen), Bas past op opa (2-jarigen), Welterusten Bas (2-jarigen),  Ik ben Bas (2-3 jarigen, Bas ga je mee? (4-5 jarigen) en Bas, waar ga je heen? (6-7 jarigen).
Bij de prentenboeken hoort een handleiding voor ouders en leerkrachten met verwerkingssuggesties, onderverdeeld in vier soorten activiteiten: voorlezen, vragen bij verhaal en tekening, liedjes en versjes, taalspelletjes.

Verhalenbundels
Kareltjes voorleesboek
isbn 90 451 0074 6

In de Maneschijn
isbn 90 269 0233 6

Rijmpjes en versjes
Ook al zijn kinderen nog zo klein en begrijpen ze nog niet alle woorden/zinnen, op het zingen van liedjes en opzeggen van rijmpjes reageren ze altijd enthousiast. Daardoor maken ze kennis met klank, rijm en ritme van de taal.

Rijnpjes en versjes uit de oude doos
isbn 90 290 0121 6

De leukste speelversjes en knierijmpjes
isbn 90 447 0568 7

Zacht zijn de wolken
isbn 90 257 3608 4

Dick Bruna
De boekjes van Dick Bruna (Nijntje enz) zijn zeer geschikt voor de stimulering van de taalontwikkeling van uw kind, omdat het gaat om eenvoudige zinnen op rijm. Tip: lees eenzelfde boekje bijv. bij het naar bed gaan een week lang voor. Probeer na een aantal keren om even stil te houden bij een bepaald rijmwoord en af te wachten of uw kind het woord zelf aanvult. Herhaling bevordert de taalontwikkeling.

IV STEMVERBETERING

U kunt als ouders en opvoeders een belangrijke bijdrage leveren aan de stemverbetering van uw kind. Overbelasting van de stembanden en daardoor stemproblemen kunnen hierdoor worden voorkomen (zie ook VII).

Graag doen wij u wat ideeën aan de hand, die u hierbij zouden kunnen helpen.

  1. Geef uw kind geen reden tot stemmisbruik:

Zorg ervoor dat uw kind niet hoeft te schreeuwen.
Bijv. om u te laten weten, dat het naar binnen wil als het buiten speelt.

Zorg voor een zo rustig mogelijke omgeving:
Laat bijvoorbeeld niet de radio aanstaan als er niemand luistert.
Probeer zelf ook niet boven het lawaai van huishoudelijke apparaten uit te schreeuwen (bijv. de stofzuiger).
Als u in een straat woont met veel verkeerslawaai, gaat u dan eens na of u – als er wordt gesproken – een deel van dit lawaai kunt buitensluiten door bijv. wat ramen te sluiten. Probeert u dan eens op een ander moment of op een andere manier voor frisse lucht zorgen.
Geef uw kinderen voldoende rust en tijd om te praten, bijv. wanneer uw kind u iets vertellen wil. Laat goed merken, dat u naar hem luistert en dat u werkelijk belangstelling voor hem heeft. Als u op dat moment geen tijd hebt om te luisteren beloof uw kind dan dat u op een rustiger tijdstip wel naar hem zult luisteren. U moet dan wel binnen niet al te lange tijd uw belofte nakomen!
Geef uw kind een eigen plekje in huis, waar het rustig kan spelen.

  1. Probeert u het stemmisbruik ook op andere manieren zoveel mogelijk te voorkomen:

Schreeuwen en gillen is bijzonder slecht voor de stem: fluisteren is echter eveneens nadelig voor de stem (overbelasting van de stembanden en daardoor stemproblemen). Er zijn situaties waarin vrijwel alle kinderen meer geneigd zijn te schreeuwen en te gillen. Bij kinderspelen buiten die veel spanning bij de kinderen oproepen, zal gauw worden geschreeuwd. Zeker als die spelletjes tot wedstrijdjes geworden zijn. Denkt u bijvoorbeeld maar aan voetballen. Als uw kind erg hees is, bespreek dan met uw kind dat het buiten niet mag schreeuwen of gillen.

Blijft uw kind desondanks toch hard schreeuwen buiten, leg hem dan uit, dat u hem dan het buiten spelen en/of voetballen moet verbieden. Hetzelfde geldt voor zwemmen.

Zingen is fijn maar kan bij verkeerd zingen wel weer nadelig voor de stem zijn. Vermijdt daarom te hoog zingen, te “hard” zingen (bijv. bij canon, schoolreisje etc.).

Probeer al te heftige emoties zoveel mogelijk te voorkomen.
Bijv. heftige ruzies van uw kinderen, driftbuien, langdurige huilbuien. Als dergelijke uitbarstingen voorkomen, laat ze dan niet nodeloos lang voortduren. Uw kind mag natuurlijk wel ergens boos of verdrietig om zijn, maar wanneer u de indruk krijgt, dat uw kind blijft huilen of schreeuwen, probeert u dan de aandacht van uw kind af te leiden.

Houdt het stemgebruik tijdens het spel in de gaten.
Veel kinderen forceren hun stem als ze de geluiden van bijv. vliegtuigen, raceauto’s of treinen nadoen. Veel kinderen verdraaien hun stem als ze bijv. bekende TV-figuren imiteren.

Wanneer u de indruk hebt, dat uw kind dikwijls veel te hoog of te laag spreekt, meldt u dit dan aan de behandelend arts, leerkracht of de logopedist(e).

Let op of uw kind veel kucht of de keel schraapt.
Veel kinderen hebben zich aangewend, voortdurend de keel te schrapen of te kuchen. Dit kuchen en schrapen betekent iedere keer een aanslag op de stem.
Soms is deze gewoonte ontstaan tijdens een verkoudheid, maar soms is deze gewoonte eigenlijk meer een kwestie van aandacht vragen. Soms zult u uw kind van deze slechte gewoonte kunnen afhelpen door hem wat meer aandacht te geven.

Zorg dat uw kind niet vatbaar is voor stemmoeilijkheden.
Let op de houding van uw kind.
Een in elkaar gezakte houding of een te krampachtige houding kan stemmoeilijkheden in de hand werken.
Zorg voor een goede lichamelijke conditie van uw kind. Let erop, dat uw kind lang genoeg slaapt en voldoende uitrust. Bedenk dat het ene kind meer slaap nodig heeft dan het andere. Let erop, dat uw kind zo gezond mogelijk eet.

 Goede gebitsverzorging is belangrijk.
Ontstekingen in de mond kunnen schadelijk zijn voor en de stem. Laat uw kind na iedere maaltijd en voor het slapen gaan, tanden poetsen. Een regelmatig bezoek aan tandarts is noodzakelijk.

Een kind moet ademhalen door de neus en niet door de mond.
Zit uw kind vaak met zijn mond open en slaapt het met open mond, meldt u dit dan aan de leerkracht of de logopedist(e). De ingeademde lucht via de mond wordt niet gezuiverd (daar zorgen de haartjes in de neus voor). Dit kan vaker verkoudheid en keelontstekingen veroorzaken.

Als uw kind verkouden is, laat het dan zijn stem zoveel mogelijk sparen. Laat uw kind dan bijv. ook zo min mogelijk in een rokerige ruimte komen. Als u vindt, dat uw kind opvallend veel verkouden is of als u denkt, dat uw kind soms minder goed hoort, zegt u dit dan bij een bezoek aan de huisarts, de schoolarts of logopedist(e)

V DUIM- OF VINGERZUIGEN

ln verband met de ontwikkeling van het gebit en de mogelijke gevolgen voor de spraak van uw kind, is het van belang het duimen (in het vervolg wordt ook steeds vingerzuigen bedoeld) af te leren.

Uit onderzoeken blijkt, dat het in de meeste gevallen goed mogelijk is het duimen vanaf ongeveer vijf jaar af te leren, zonder dat dit nadelig gevolgen heeft voor de psychische gezondheid van het kind.

De gevolgen van duimen
Duimen leidt veelal tot afwijkingen in de tand- en/of kaakstand. Mondademen en/of verslapping van de tong- en mondspieren worden in stand gehouden door duimen. Bij het slikken bijvoorbeeld perst de tong zich tegen of tussen de tanden. Dit heeft nadelige gevolgen voor de gebitsstand.

Voor de spraak kan duimen ook nadelig zijn. De tong kan er zo “lui van worden, dat hij bij de uitspraak van de -s, -z, -t en -d (eventueel ook -l, -n en -r) tussen de tanden schiet.

De aanpak
Alvorens u met het kind bespreekt of hij/zij het duimen af wil leren gaat u enkele dagen na hoe vaak uw kind duimt. U noteert/turft op een blaadje het aantal keren, dat het kind de duim in de mond heeft en u beschrijft kort de situatie (bijvoorbeeld: tijdens T.V.-kijken, een spelletje doen, tijdens wandelen, als ze moe zijn). Als u dit drie tot vijf dagen heeft genoteerd, bespreekt u de bevindingen met uw kind.

Ook geeft u aan wat de gevolgen voor het gebit kunnen zijn:
“Je duim is eraan gewend om telkens naar je mond te gaan. Toen je nog klein was deed je dit als je honger had. Voor je je fles kreeg, ging je dan maar alvast op je duim of vinger zuigen�.

Het is belangrijk om duidelijk aan uw kind te vragen of hij/zij wil proberen het duimen af te leren. Als uw kind aan de slag gaat, is uw positieve ondersteuning van groot belang. U kunt een kleine beloning in het vooruitzicht stellen als het kind bijvoorbeeld enkele nachten zonder te duimen heeft geslapen. Geef uw kind regelmatig een pluimpje als u merkt dat het werkelijk zijn/haar best doet om niet te duimen.

Hulpmiddelen bij het afleren van duimen
– een “schatkist” maken. Dit is een doos met voorwerpen die het kind kan pakken als het overdag wil gaan duimen. De inhoud van de doos: bolletje klei, poppetjes, beertjes, schuifpuzzeltje. De doos moet telkens bij de hand zijn.

– herinneringstekens: deze tekens, stickers worden op plaatsen aangebracht waar het kind vaak komt. Bijvoorbeeld op de schoolbank, de schooltas.

– voor de nacht kunt u samen (bijv. van een sok, want, washandje of een gebreide vinger) hand- of duimpop maken. Deze pop doet u het kind bij het slapen gaan aan.

Mocht resultaat uitblijven, roep dan de hulp in van de logopedist(e)

VI HEESHEID BIJ SCHOOLKINDEREN

Voor een heldere stem zijn een goede houding en een goede ademhaling noodzakelijk.

Als je zit, is een goede houding: Rechtop, de voeten plat naast elkaar op de grond en recht onder de knieën. Een foutieve houding tijdens het spreken is het leunen op de onderarm met de ellebogen naar voren.

Een goede ademhaling is een ademhaling door de neus. Als je niet spreekt, zijn dan de lippen dus gesloten. Het slijmvlies van mond- en keelholte droogt dan niet uit en er is geen aanleiding tot kuchen. Elke kuch veroorzaakt een hele kleine beschadiging aan de stembanden, die weer heesheid tot gevolg kan hebben. Als de mond of keel toch droog of kriebelig is, neem dan een slokje water.

Een goede ademhaling is ook een ademhaling op een ontspannen manier, liefst met de buik. Dus nooit met  hoog opgetrokken schouders.

Van belang is ook een goede gebitsverzorging. Ontstekingen in de mond kunnen schadelijk zijn voor de keel.

Heesheid kan allerlei oorzaken hebben, maar de heesheid bij schoolkinderen is meestal het gevolg van:

– schreeuwen en gillen op het schoolplein, tijdens spelletjes, bij voetbalwedstrijden, in het zwembad, tijdens de gymnastiekles, enz.

– schreeuwen bij ruzies, driftbuien, langdurige huilbuien, overdreven lachen.

– te hard praten om zichzelf verstaanbaar te maken:

– in een lawaaiige klas

– tijdens stofzuigen

– in de auto of bus om boven het lawaai van de motor uit te komen, enz.

– te hard praten als de radio, televisie, cd-speler e.d. aanstaan.

– te hard praten naar verkeerd voorbeeld, bijv. omdat ouders, familieleden, leerkracht erg hard praten.

– tegen elkaar opzingen in koren, bij zangles al of niet met te hoge of te lage stem.

– tafels opzeggen, hardop lezen.

– tijdens spel imiteren van autootjes, vliegtuigen, ambulances, politieauto’s, enz.

– fluisteren.

– roepen van de hond.

Wat zou u hieraan kunnen doen?

– probeer zelf niet hard, maar rustig en duidelijk te spreken, het kind zal uw manier van spreken ongemerkt overnemen.

– zorg dat de neus van uw kind goed gesnoten is, zodat het zonder moeite door de neus kan ademhalen.

– zorg voor een zo rustig mogelijke omgeving. Laat bijv. niet de radio aanstaan als niemand luistert.

– zorg dat uw kind rustig zijn verhalen aan u kwijt kan, laat goed merken, dat u belangstelling voor hem hebt.

– geef uw kind zo mogelijk een eigen plekje in huis waar hij rustig kan spelen.

– vermijd zoveel mogelijk rokerige ruimten.

– wanneer u de indruk hebt, dat uw kind te hoog of te laag spreekt, is het nodig te overleggen met uw huisarts of de logopedist.

– zorg dat uw kind niet te lang achter elkaar praat.

– als uw kind verkouden is, laat het dan zo weinig mogelijk spreken. Zijn heesheid wordt dan alleen maar erger.

Het afleren van een verkeerde gewoonte is moeilijk, het aanleren van een nieuwe gewoonte is dikwijls nog moeilijker. Allebei vraagt het veel doorzettingsvermogen van u en het kind.

Het beste lukt het aanleren van een nieuwe gewoonte door twee of drie keer per dag een kwartier op alle genoemde punten te letten.

Een heel belangrijk ding mag u daarbij niet vergeten, namelijk het kind te prijzen voor alle goede pogingen, dat werkt stimulerend en geeft zelfvertrouwen.

VII MONDADEMEN

Het is beter wanneer het kind ademt door de neus.
Zit uw kind vaak met zijn mond open en slaapt het met open mond, meldt u dit dan aan de leerkracht of de logopedist(e). De ingeademde lucht via de mond wordt niet gezuiverd (daar zorgen de haartjes in de neus voor). Dit kan vaker verkoudheid en keelontstekingen veroorzaken.

Een goede ademhaling is een ademhaling door de neus. Als je niet spreekt, zijn dan de lippen dus gesloten. Het slijmvlies van mond- en keelholte droogt dan niet uit en er is geen aanleiding tot kuchen.

U kunt uw kind leren door de neus te ademen door oefeningen met de mond en oefeningen met de neus te doen. Hieronder wordt een aantal spelletjes genoemd waar u er zelf een paar van kunt uitkiezen. U weet zelf het best wat uw kind kan en leuk vindt. Een beetje afwisseling in de spelletjes zorgt ervoor dat het niet te snel verveelt.

Spelletjes om de lippen sterker te maken
– Lippen tien tellen op elkaar persen, loslaten en nog een paar keer doen.

– Bolle wangen maken met de lippen op elkaar, tot 10 tellen en de wangen weer leeg blazen.

– Gekke bekken trekken.

– Tegen de lippen blazen, zodat ze gaan trillen (auto nadoen).

– Blazen of zuigen met een kleine ronde mond.

– Iets tussen de lippen (niet tussen de tanden!) vasthouden. Dit kan een knoop of hangertje aan een koordje (in verband met gevaar voor stikken) zijn of een dun rietje dwars in de mond.

– Konijnenmondje maken: de neus tien keer optrekken.

– Met en zonder geluid overdreven ie-oe zeggen (sirene).

– Brede lachende mond maken.

– Varkenssnoet maken: knorren als een varken met opgetrokken bovenlip.

Spelletjes om door de neus te ademen
– Met de lippen op elkaar ruiken aan een bloem of doen alsof.

– Met korte snufjes inademen.

– Door de neus inademen en een paar regels van een liedje naneuriën.

– Iets tussen de lippen vasthouden bij het tv kijken, tekenen of voorlezen, dit opvoeren tot elke dag 10 minuten.

– Voorlezen terwijl het kind in een spiegel kijkt en oplet dat de mond tijdens het verhaaltje gesloten blijft.

– Voorlezen en stoppen als de mond open gaat (de radio gaat uit).

– Bij het inslapen de lippen zachtjes dichtdrukken: als u zelf naar bed gaat dit nog eens doen.

Belangrijk bij dit alles is:
– Laat het kind, voor je met oefenen begint, altijd eerst de neus snuiten (neusgat voor neusgat).

– Let erop dat het kind tijdens het oefenen rustig doorademt en niet de adem inhoudt.

– Laat het kind tijdens het oefenen zoveel mogelijk rechtop zitten of staan.

– Oefen elke dag, liefst op een vast tijdstip.

– Koppel de oefeningen aan vaste bezigheden, zoals tv kijken, voorlezen, een spelletje doen.

– Oefen niet te lang achter elkaar; oefen liever een paar keer kort per dag.

– Geef het kind elke keer dat het goed gaat een pluim; zeker als het ook eens uit zichzelf met de mond dicht zit.

– Druppel bij verkoudheid de neus met zout water (een theelepel zout op een kopje water).

– Geef niet te snel op. Mondademen leer je niet in een week af. Het afwennen kan soms wel een paar maanden in beslag nemen. Lukt het beslist niet, vraag dan eens aan uw dokter of consultatiebureau-arts of er misschien iets aan de hand is, waardoor ademen door de neus wordt belemmerd.

VIII AUDITIEVE VAARDIGHEDEN

Auditieve vaardigheden zijn de luistervaardigheden van uw kind. Dit betreft dus niet het gehoor zelf, maar de vaardigheden om goed te luisteren naar de aangeboden mondelinge taal, deze in zich op te nemen en te verwerken.

Luistervaardigheid is zeer belangrijk voor het leren van taal. Uw kind leert spreken en de taal gebruiken door het luisteren. Als baby is daarbij de taal van de ouders zelf het belangrijkst, later komt daar ook de aangeboden mondelinge taal van de omgeving, zoals familie, vriendjes, crêche, school enz. bij.

In de schoolsituatie is de luistervaardigheid ook belangrijk voor o.a. het goed leren lezen. Uw kind moet goed leren onthouden (de woorden en zinnen die het net gelezen heeft), kunnen onderscheiden van aangeboden of zelf (hardop) gelezen klanken/letters en ook die klanken/letters weer kunnen vormen tot woorden en zinnen.

Tips voor het verbeteren van de auditieve vaardigheden van baby’s/peuters:

  • – Lees veel voor en verwoordt veel van wat u doet met uw kind. Uw kind leert de spraak/taal immers door te luisteren.
  • – Vraag spelenderwijs ook eens wat terug over het voorgelezene: “waar ging Dikkie Dik ook alweer naar toe? En wie kwam hij toen tegen? ” enz.
  • – Zie verder ook de tips voor de taalontwikkeling van uw kind op deze website.

Tips voor het verbeteren van de auditieve vaardigheden van kleuters:

  • Zie de tips hierboven.
  • Ga spelenderwijs rijmen met uw kind. Doe rijmspelletjes zoals zoveel mogelijk rijmwoorden (ook onzinwoorden) verzinnen op bijv. het woord �boek�: koek, doek, zoek, moek, voek enz.
  • Lees rijmpjes en versjes voor, waarbij u bij het rijmwoord even wacht, zodat het kind dit zelf aan kan vullen.
  •  Vertel of lees een kort versje (4 regels bijv.) voor, bijv. elke avond een week lang hetzelfde bij het naar bed gaan. Uw kind leert het versje zo spelenderwijs uit het hoofd en traint het geheugen.

IX MEERTALIGHEID

Aandachtspunten die van belang zijn bij een meertalige opvoeding:

  1. Meertaligheid wordt beter, sneller en vollediger verworven op vroege leeftijd dan op latere, mits aan de voorwaarden wordt voldaan.
  2. Het is een voordeel wanneer de ontwikkeling van het kind normaal verloopt. Een kind met een ontwikkelingsachterstand kan beter niet extra worden belast met de aanvankelijk verwarrende wederzijdse werking van twee of meer verschillende talen. Het gelijktijdig verwerven van twee talen vraagt een extra inspanning van het kind.
  3. De houding van de ouders is van groot belang. Het is belangrijk dat de ouders een positieve houding hebben ten aanzien van de twee talen en culturen die er mogelijk mee gepaard gaan.
  4. Het is aan te raden het kind niet meer in verwar- ring te brengen dan strikt noodzakelijk is. Dat wil zeggen dat de twee talen door degenen die ze aanbieden strikt worden gescheiden. De een-persoon-een-taalstrategie is het beste. Dit wil zeggen dat dezelfde persoon steeds dezelfde taal spreekt met het kind. De aanbieders kunnen het best hun moedertaal spreken met het kind. Belangrijk is namelijk dat de taalmodellen van perfecte kwaliteit zijn. Wanneer de een-persoon-een-taal-strategie niet mogelijk is, is de een-situatie-een-taal-strategie de beste manier om voor het kind zoveel mogelijk duidelijkheid te scheppen.
  5. Naast de kwaliteit is de kwantiteit van
    het taalaanbod van belang. Een kind leert alleen die taal waar het rechtstreeks mee wordt aangesproken. Als men een kind tweetalig opvoedt is het van belang dat hij of zij ongeveer evenveel in beide talen wordt aangesproken. Verder is het belangrijk dat de talen zo vaak mogelijk worden aangeboden. Wanneer tweetalig wordt opgevoed moet er dus meer en vaker taal worden aangeboden. Dit is namelijk de enige manier om naar verhouding een even ruim aanbod te krijgen voor beide talen als bij een eentalige opvoeding.

De beide talen kunnen het beste onder alle omstandigheden worden gebruikt. Het gebruik van
taal A voor bijvoorbeeld uitsluitend gesprekjes over ‘koetjes en kalfjes’, en het gebruik van taal B voor uitsluitend intellectuele gesprekken, kan ertoe leiden dat beide talen niet het volwaardige niveau bereiken.

X OPVOEDEN DOE JE ZO! 

Het opvoeden van kinderen is leuk maar ook wel eens moeilijk. Wat doe je als je kind dwars is en niet luistert, z’n spullen altijd maar laat rondslingeren of zich door anderen op de kop laat zitten.

  1. Aandacht geven
    Kinderen zijn de hele dag druk in de weer. Ze doen van alles om uw aandacht te krijgen: leuke en minder leuke dingen.

Uw kind vindt het fijn om uw aandacht te krijgen. En u vindt het vast prettig als uw kind op een leuke manier aandacht vraagt.

Door aandacht te geven aan de leuke dingen die uw kind doet, maakt u duidelijk wat het goed doet. Uw kind krijgt hierdoor meer zelfvertrouwen. Als u veel aandacht geeft aan de dingen die uw kind goed doet, zal uw kind die dingen vaker doen.

“Wat zijn jullie lief aan het spelen! Dat is fijn, want dan kan ik ook even doorwerken.”

Soms doen kinderen iets heel leuks, waar ouders geen aandacht voor hebben. Dan is voor kinderen de aandacht er gauw af.

Jessica geeft de planten water.
“Doe ik het goed pap?” vraagt ze
“Hmm” zegt haar vader en leest verder in de krant.
Even later begint Jessica haar broer nat te spuiten.

Soms krijgen kinderen alleen aandacht voor de vervelende dingen die ze doen. Dat is jammer, want dan gaan ze die vervelende dingen vaker doen.

Want aandacht willen ze toch!

U kunt uw kind op veel manieren aandacht geven: door een aai over de bol, een knipoog te geven of door samen een spelletje te doen.

Kortom
Geef zoveel mogelijk aandacht aan de leuke dingen die uw kind doet.
Doe dit door een aai over de bol, een knipoog of door belangstelling te tonen.
Zeg wat uw kind goed doet. Uw kind krijgt hierdoor meer zelfvertrouwen.
Geef niet teveel aandacht aan de vervelende dingen die uw kind doet.

Prijzen
Een leuke manier van aandacht geven is prijzen of complimentjes geven.

Kinderen doen elke dag een heleboel dingen waarvoor u ze kunt prijzen. Als u uw kind prijst, kijk dan wat uw kind goed doet. Zeg daar iets aardigs over. Bijvoorbeeld:

“Dat vind ik lief, dat je de tv zachter zet, als ik zit te telefoneren.”
“Je hebt je bordje al bijna leeg. Wat goed van je!”

Kijk dus goed naar het gedrag van uw kind en zeg daar iets aardigs over. Dan maakt u uw kind duidelijk wat u prettig vindt.

“Wat fijn dat je me helpt met boodschappen doen.”

Als u een complimentje wilt maken, doe het dan direct. Anders snapt uw kind niet meer waarvoor het bedoeld was.

En als u complimentjes geeft, wees dan eerlijk. Kinderen hebben het gauw door als u het niet echt meent.

Soms doen kinderen iets aardigs, dat u misschien “heel gewoon” vindt. Ook die gewone dingen verdienen een complimentje.

Kortom
Let elke dag op de goede, leuke dingen die uw kind doet.
Prijs uw kind zodra het iets goed doet.
Benoem het goede gedrag, zeg er iets aardigs over.
Doe het direct.

  1. Grenzen stellen: nee zeggen en verbieden
    Kinderen zijn de hele dag druk bezig. Soms doen ze dingen die niet leuk zijn. Zoals zeuren om snoep of hun speelgoed niet opruimen. Als ouders dat vervelend vinden, moeten zij grenzen stellen. Grenzen stellen kan moeilijk zijn. Soms luisteren kinderen niet. Daarom moeten ouders heel duidelijk en precies zijn als ze vertellen welk gedrag ze vervelend vinden.

Nee zeggen en verbieden
Een duidelijke manier om grenzen te stellen is nee zeggen. Zeg nee als uw kind iets vraagt of doet wat u niet goed vindt. Wil uw kind iets doen dat vervelende gevolgen heeft? Vertel die erbij. Dan wordt het voor uw kind duidelijker waarom het iets niet mag.

“Mama, mag ik buiten spelen?”
“Nee, want we gaan zo eten en dan wordt het eten koud.”

Soms gaan kinderen nog even door om te kijken of u het echt meent wat u zegt. Laat daarom uw “nee” overtuigend klinken en hou het echt vol: nee is echt nee.

Zeg niet te vaak nee, want dan luisteren kinderen er niet meer naar.

Zeg niet alleen wat uw kind niet mag. Vertel er ook bij waarom het niet mag.

Kortom
Zeg duidelijk wat uw kind niet mag.
Vertel erbij waarom het niet mag.
Nee is echt Nee.
Zeg niet te vaak nee.

  1. Grenzen stellen: negeren
    Kinderen zijn de hele dag druk bezig. Soms doen ze dingen die niet leuk zijn. Zoals zeuren of een driftbui krijgen. Als ouders dat vervelend vinden, moeten zij grenzen stellen.

Grenzen stellen kan op verschillende manieren. Door er iets van te zeggen bijvoorbeeld. Maar iets zeggen betekent ook: aandacht geven.

Negeren
Soms doen kinderen iets wat niet mag- alleen om uw aandacht te trekken. Als u ze dan die aandacht geeft, gaan ze door. Het beste is dan om er niet op te reageren. Negeren dus.

Negeren werkt alleen als u eerst hebt gezegd wat uw kind niet mag en waarom niet. Na het nee zeggen en verbieden dus.

Bijvoorbeeld:
`Mam, mag ik nog een koekje?`
`Nee, je hebt er al drie gehad.`
`Nou, mam, toe nou!`
Moeder reageert niet. Ze doet de koekjestrommel dicht en zet hem weg.

 Negeren is moeilijk. Kinderen zullen blijven proberen uw aandacht te trekken. Zeker als u voor het eerst probeert niet op ze te letten. Om het vol te houden kunt u iets anders gaan doen: de krant lezen of de kamer uitlopen.

Als uw kind iets gevaarlijks doet, zoals met een schaar spelen, moet u natuurlijk wel reageren!

Negeren helpt vooral als kinderen zeuren of een driftbui krijgen.

Kortom
Vertel uw kind eerst wat het niet mag en waarom niet.
Reageer niet op aandacht trekken.
Probeer het vol te houden door iets anders te gaan doen.
Reageer altijd op gevaarlijk gedrag.
Blijf steeds aandacht geven aan de leuke dingen die kinderen doen. Dan doen ze die vaker!

  1. Grenzen stellen: apart zetten
    Kinderen zijn de hele dag druk bezig. Soms doen ze dingen die niet leuk zijn, zoals hun kleine zusje pesten of dingen expres stuk maken. Als ouders dat gedrag vervelend vinden, moeten zij grenzen stellen. Grenzen stellen kan op verschillende manieren.

Apart zetten
Soms hebben kinderen zichzelf niet meer helemaal in de hand. Zodra ze hun zusje of broertje zien, beginnen ze ruzie te maken. Het lijkt wel of ze niet anders kunnen!

Dan heeft verbieden weinig zin. Negeren werkt ook niet meer. In zo’n geval kan het goed zijn om uw kind even apart te zetten. Niet te lang: vijf minuten op een ongezellige plaats is genoeg. Vijf minuten op de gang bijvoorbeeld.

Zeg er wel altijd bij waarom u dit doet. Maar ga niet met uw kind in discussie.

Vader:`Als je Hilal niet rustig kunt laten tekenen, dan ga je maar even apart zitten.`

Haal uw kind na vijf minuten weer terug. Het is dan `over`. Uw hoeft uw kind niet extra te straffen. Zet uw kind niet te vaak apart, want dan werkt het niet meer. Het is veel beter aandacht te geven aan alle leuke dingen die uw kind doet.

Kortom
Zet uw kind even apart.
Vertel erbij waarom u dat doet.
Zoek een niet te gezellige plaats.
Doe het niet te vaak.
Geef veel aandacht aan alle leuke en goede dingen die uw kind ook doet!

  1. Grenzen stellen: straffen
    Kinderen zijn de hele dag druk bezig. Soms doen ze dingen die niet leuk zijn, zoals voetballen in de kamer of knoeien met eten. Als ouders dat vervelend vinden, moeten zij grenzen stellen. Grenzen stellen kan op veel verschillende manieren.

Straffen
Als verbieden, negeren, apart zetten niet werken, kunt u het proberen met straffen. U kunt uw kind straffen door iets leuks af te pakken. Wordt er geknoeid met het eten? Dan geen toetje! Wordt er gevoetbald in de kamer? Dan gaat de voetbal in de kast.

Leg duidelijk uit waarom u straft en doe het direct.

Vader:`Ik heb nu al drie keer gezegd dat de televisie zachter moet, anders kan Tamara niet slapen. Dus nu gaat de televisie uit!`

 Straffen is niet leuk. Overdrijf de straf dus niet. En dreigen met iets dat u toch niet waar kunt maken, heeft geen zin. Geeft u echt het fietsje mee aan de vuilnisman als uw kind het niet in de schuur zet?

Straf niet te vaak. Anders raakt uw kind eraan gewend en maakt het geen indruk meer. Beter is het om aandacht te geven aan de dingen die uw kind wel goed doet. Dat voorkomt dat uw kind op een negatieve manier om aandacht gaat vragen.

Kortom
Leg duidelijk uit waarom u straft.
Doe het direct.
Overdrijf de straf niet.
Straf niet te vaak.
Geef uw kind steeds aandacht en complimentjes voor de dingen die het goed doet!